Kabouter Spillebeen

Midden in het bos staat een grote, dikke boom. Het is een heel opvallende boom en hij heeft prachtige, stevige wortels die zilver van kleur zijn. Zijn stam is breed en op het eerste gezicht ziet deze boom er gezond en sterk uit. Maar als ik van wat verderaf kijk is er toch iets vreemds aan de hand, want de kruin is in verhouding met de hele boom veel te klein!

Eigenlijk bestaat deze kruin alleen maar uit wat sprieterige takjes.

Dan komt er opeens vanachter de boom een kaboutertje tevoorschijn, het is een parmantig figuurtje in een korte broek waar dunne spillebeentjes onderuit steken.

Het is een jonge kabouter, hij heeft nog geen baard en met een ondeugende blik in zijn oogjes kijkt hij mij nieuwsgierig aan.

Hij huppelt een rondje om de boom en wenkt met zijn handje alsof hij wil zeggen: “Kom dan, ga maar met me mee!”

Onderin de stam zit een deurtje dat open gaat en ik stap achter de kabouter aan naar binnen.

In deze boom is het heel donker en ik kan bijna geen hand voor ogen zien.

Maar op de tast vindt de kabouter een wenteltrap die naar beneden gaat en ik volg hem als hij tree na tree deze trap afdaalt.

Eenmaal beneden gearriveerd zijn we in een soort kamertje terecht gekomen.

Er hangt hier een kabouterlantarentje aan de muur dat een klein beetje licht verspreidt.

De vloer van het vertrekje bestaat uit rode tegels en in het midden staat een tafel met een paar stoelen er omheen.

Tegen één van de wanden aangeleund staat een beertje. Het is een heel oud beertje, hij ziet er groezelig en rafelig, zelfs een beetje afgekloven, uit.

Aan de muren van dit kamertje hangt een hele galerij van foto’s in lijstjes.

Op de tafel liggen allemaal kranten en voor de open haard staat een grote mand die gevuld is met houtblokken.

Maar… er brandt geen vuur in deze haard.

Als hij mij alles heeft laten zien klim ik weer achter de kabouter aan de wenteltrap op naar boven. Hij doet het deurtje voor me open, ik stap naar buiten en hij zwaait mij gedag met zijn handje, misschien tot ziens?

 

     Hallo, kabouter Spillebeen,

waar neem je me mee naar toe, waar gaan we heen?

 

Tastend in het donker volg ik je stap voor stap

naar beneden via de smalle wenteltrap.

Maar eenmaal in het huisje, tussen de wortels in de grond,

kijk ik een beetje vervreemd in het rond.

Zo schaars verlicht en geen vuur in de haard,

een kabouter staat toch symbool voor de eigen aard?

Ik zie de fotogalerij met beelden die ik vaag ergens van ken

en begrijp niet wat ik hier doe, waarom ik hier ben!

 

Ja, de mens die zich zijn bewustzijn had voorgesteld

als hoog en verheven, is oprecht teleurgesteld:

“Dit donkere vertrek met die spillepoot in korte broek,

dat is zeker niet de plek van verlichting waar ik naar zoek!” 

 

Toch is nieuwsgierige Spillebeen, hier nog jong van jaren,

de gids waarmee u de klus moet zien te klaren.

Want hij is ’t stemmetje dat u van binnen hoort,

de ingeving die op ongewenste momenten uw ‘rust’ verstoort.

 

En daar kabouters zich bezighouden met alledaagse zaken,

zijn het de kleine dingen die met bewustwording hebben te maken.

Zo raadt hij u op een vergadering soms aan: ‘ga even plassen’,

of geeft een seintje wanneer het tijd is om de vaat te wassen,

vertelt u tijdens ’t winkelen wat u nodig heeft, wat u moet kopen

en is het duwtje in uw rug om ’s avonds een blokje om te lopen.

 

Een samengaan, zo simpel dat je ’t niet zou verzinnen

en toch moet het kaboutercontact op deze manier beginnen.

 

Welnu, wat vindt u ervan, durft u ’t aan

om nog eens bij hem op bezoek te gaan?

***