De ladder

Er verschijnt een boom in mijn gezichtsveld. Het is een hoge, brede boom met een dikke stam, een heel grote kruin en wortels die diep de grond in gaan.

Nu krijgt de stam, zoals je dat wel eens in sprookjesboeken leest, een gezicht.

Ik vind dat dit gezicht een bepaalde nieuwsgierigheid uitstraalt, maar zie dan dat de uitdrukking afwachtend wordt.

En het gezicht van de stam blijft veranderen, nu ziet het er uit alsof het een beetje boos is, dan krijgt het even iets zonnigs, waarna het weer boos wordt.

De gelaatsuitdrukkingen wisselen zich sterk af. Van verdrietig naar tevreden, van angstig naar berustend.

Als ik omhoog kijk naar de kruin zie ik dat er allemaal witte trappetjes en laddertjes in hangen.

Er is één ladder die in dit beeld eruit springt.

De Leraar zegt: 'Dit is de carrièreladder waar de maatschappij groot belang aan hecht.'

Het is geen mooie trap, hij is geschaafd, zit vol vlekken en ziet eruit alsof hij helemaal niet onderhouden is.

En onder deze grote boom zie ik allemaal rugzakken staan.

 

Al op de peuterspeelzaal wordt een kind geleerd

om zich zó te gedragen dat íe wordt geaccepteerd.

Het vervolgonderwijs gaat met de beste bedoeling

nog een stapje verder met deze hersenspoeling.

 

Ook kerk en religie,

kranten en televisie

dragen hun steentje bij

aan de poppenkast van deze maatschappij.

 

En dit tweedehands gedachtegoed

zegt: 'Wees blij met wat je hebt en trots op wat je doet!'

De weg naar geluk is immers geplaveid

met status, sociale en financiële zekerheid.

 

Een goeie baan, een luxe woning, een mooie auto voor de deur

en toch mist er iets, lijkt het leven een grijze sleur.

De mens is vermoeid, voelt zich leeg en koud,

raakt overspannen of krijgt een burn-out.

Want ook al probeert hij zijn lessen te verstoppen,

 steeds opnieuw zullen ze aan zijn deur komen kloppen.

 

Het lijkt misschien een doemscenario,

toch werkt het in de blauwe trilling wel zo.

Soms moet eerst de bodem van de put worden bereikt,

voordat een mens in plaats van naar buiten naar binnen kijkt

en ondanks de bemoeienis van de maatschappij,

op zoek gaat naar ‘wat past er nu werkelijk bij mij?’

 

Een ommekeer zoals Berend Botje, die zonder logica,

in zijn scheepje koers zette naar Amerika.

Hij vertrok uit het ‘veilige’ Zuidlaren,

trotseerde de ruwe zee, voer over de woeste baren

en volgde simpelweg het pad van zijn dromen.

Wat denkt u, hoe ver zou íe zijn gekomen?

***