Op de fiets

Ik loop op een bospad dat omzoomd is met bomen en zie dat er een fiets aan komt rijden. Een grote zwarte herenfiets en op het zadel van deze fiets zit een kaboutertje dat zijn uiterste best doet om met dit, voor hem, kolossale gevaarte vooruit te komen.

Maar hij heeft zulke korte beentjes en de pedalen zitten zo ver weg, dat het kereltje met veel moeite van links naar rechts en weer terug zwiept.

Het is een heel ouderwetse, plompe fiets en er zijn grote leren kappen aan het stuur vastgemaakt. Misschien dat sommigen van u dit gegeven nog van vroeger kennen, want je kon daar je handen insteken om ze warm te houden.

Tja, en deze fiets komt maar heel moeizaam vooruit.

Het is een zware tocht voor de kabouter die er bovenop zit te zwoegen.

Bovendien zie ik dat het bospad waar hij overheen rijdt heel drassig is, zodat hij zich als het ware door een modderpoel heen moet worstelen.

Al met al vind ik het maar een mistroostig beeld, er gaat een troosteloze sfeer vanuit.

Nu de fiets wat dichterbij komt zie ik dat er een bel op het stuur zit.

Het lijkt op een belletje van een kinderfiets, want er is een olijk kabouterhoofdje op geschilderd.

Aan de andere kant van het stuur staat een driehoekig vlaggetje op een standaard.

Als het kaboutertje mij dan eindelijk gepasseerd is zie ik dat er aan de achterkant van zijn fiets twee zwarte tassen aan de bagagedrager hangen.

Dan maakt het bospad een flauwe bocht en het beeld van de ploeterende kabouter op deze zwarte herenfiets verdwijnt langzaam uit mijn gezichtsveld.

 

Met zijn rode mutsje dat net boven ’t stuur uit komt piepen

en zijn korte beentjes die van ’t ene pedaal naar het andere zwiepen,

probeert dit kaboutertje met man en macht vooruit te komen,

op die ouderwetse herenfiets, daar tussen de bomen.

 

Een mens zet zijn beste beentje voor en zit graag hoog te paard,

maar op deze fiets maakt hij geen contact met zijn eigen aard.

En ook al doet íe wat íe moet en houdt íe zich groot,

toch bekruipt hem soms het gevoel: ‘ergens mis ik de boot!’

 

Want deze fiets is het voertuig van de wil en niet van de wens,

maar daartussen bevindt zich zo’n subtiele grens,

dat een mens die vanuit volhouden en doorzetten leeft,

het verschil vaak helemaal niet in de gaten heeft!

 

Naastenliefde en gemeenschapszin,

dat is wat íe kent en dat houdt íe erin.

'Nee', zeggen tegen iets of iemand is een hele kunst,

 je weet ’t maar nooit: misschien raak je wel uit de gunst!

'Nee' tegen de verkoper die je iets probeert aan te smeren

 of  'Nu niet' tegen iemand die je met een bezoekje komt vereren.

 

Want de denkkap is geen durfal, maar gericht op aangepast,

 houdt van pappen en nathouden, wil niet worden verrast.

Hij leidt je om de tuin en zo sluw als een vos,

 zorgt hij ervoor dat je blijft zitten op dat ijzeren ros.

 

Maar als je weer eens op een lastige gedachte stuit,

waag dan eens een gokje en probeer het een keertje uit:

handel gewoon naar wat de kabouter vertelt,

luister niet naar de denkkap die zegt: 'De ander is teleurgesteld!'

Dan zul je zien dat je ondanks alle 'maren',

een bevrijdende energie, een voortgang in jezelf zult gaan ervaren!

***