De driehoek

Achter een grote oranje driehoek, die met één punt naar boven wijst, verschijnt een wit paard.

Dit paard stapt door de driehoek heen, gaat over in draf en komt dan naar mij toe galopperen.

Hij is heel jong en speels en zijn manen wapperen alle kanten op. Zijn staart zwaait heen en weer en zijn hoofd heeft een opgeheven, fiere houding. Als het paard dichterbij is gekomen wordt hij wat rustiger en blijft een beetje voor mij heen en weer drentelen.

Het paard is prachtig, helemaal wit, maar met een zilverkleurige uitstraling. Hij heeft zilveren hoeven en als hij zijn ogen opent en mij tussen de lange wimpers door aankijkt zie ik dat ook zijn ogen van zilver zijn.

Dan verandert de omgeving, de driehoek is in de achtergrond verdwenen en het blijkt dat het paard op een open plek in het bos loopt. Rondom deze open ruimte staan hoge bomen waarvan het bladerdak niet te zien is, zodat ik alleen tegen bruine stammen aankijk. Het paard heeft er veel plezier in en stapt vrolijk tussen de bomen door.

Opeens verschijnt vanachter één van de bomen het hoofdje van een kabouter, ik zie alleen een blauw puntmutsje en een stukje schouder, de rest blijft achter de boom verscholen. Maar nu komen er vanachter verschillende bomen kaboutertjes tevoorschijn.

Er is er één die er nog heel jong uitziet, hij heeft een geel pakje aan en draagt een roze muts.

Een ander oogt al veel ouder, hij is in het paars gekleed, heeft een kalend hoofd met alleen een rand van krulletjeshaar en draagt geen muts. Deze kabouter heeft een dik, rond gezicht met bolle blozende wangen, maar hij heeft geen baard. Op zijn dikke buik draagt hij een brede riem met een gesp en de sfeer die hij uitstraalt is van het werkzaam zijn, van de mouwen opstropen.

Er is een kaboutertje bij dat een rood pakje aan heeft, hij ziet er nog heel jong uit en geeft de indruk dat hij eigenlijk aan zijn middagslaapje toe is.

Dan krijg ik een andere kabouter in het vizier, hij heeft heel dunne spillebeentjes en kijkt zeer misprijzend naar mij, alsof hij ‘hoog op de benen’ staat. Hij is ook al wat ouder en eerst dacht ik dat hij een baard droeg, maar het blijkt een slabbetje te zijn.

 

Een kaboutertje in een blauw pakje sjouwt rond met een fietsje op zijn rug. Hij ziet eruit alsof hij erg moet zwoegen en het fietsje dat hij bij zich draagt heeft een kindermaatje, is eigenlijk veel te klein voor hem.

Dan valt mijn oog op een kabouter in een zwart met wit geblokt tenue die een pet met een klep op zijn hoofd heeft gezet. De sfeer die deze kabouter uitstraalt heeft iets met show, met toneelspel te maken.

Een in het geel met groen geklede kabouter houdt zich wat afzijdig en kijkt de kat uit de boom.

Zo zijn er in dit beeld heel veel kabouters te zien, allemaal in verschillend gekleurde pakjes en elk met een eigen uitstraling. En al deze kabouters lopen aarzelend de ruimte binnen waarin het witte paard nog steeds aan het rondstappen is.

Ze gaan in een kringetje om het paard heen staan, maar er zijn er een paar die ietsjes dichterbij durven te komen en vandaar af blijven toekijken. Het lijkt alsof niemand de eerste stap durft te zetten om dat paard, als deel van zichzelf, in hun midden op te nemen.

Eén van de kabouters probeert wel voorzichtig een handje op de hals van het paard te leggen, maar schrikt er toch weer van terug. Dan probeert hij het heel aarzelend toch opnieuw. Er heerst een sfeer van huivering, van wantrouwen naar dit witte paard.

Ik blijf op een afstandje toekijken en mijn blik glijdt langs de lange stammen van de bomen omhoog. Het valt me op dat de kruinen vrij klein zijn in verhouding met die lange stammen. Het is net alsof ze niet uitgegroeid zijn, want slechts hier en daar groeit er een enkele tak.

Door het gebladerte heen zie ik een klein beetje licht schijnen.

Beneden, onderaan de voet van de bomen, proberen de wortels zich wel een weg de aarde in te banen, maar ze blijven voor het merendeel toch boven de grond hangen als luchtwortels boven een hobbelige, zanderige bodem.

 

Wanneer een mens in zijn leven ergens tegenaan loopt

en er een situatie ontstaat die hem noopt

om in contact te treden met zijn kabouter,

wordt er van hem gevraagd om louter

en alleen

te kijken naar wat er wèrkelijk gebeurt om hem heen

en niet in zijn denkkap te gaan graven,

omdat deze hem terstond met emoties zal belagen.

 

Gedachten zijn immers altijd naar ‘veiligheid’ op zoek

en hebben geen weet van de werking van de driehoek,

waarvan de eerste poot

de gewaarwording is dat de mens zich ergens aan stoot.

In de tweede poot

wordt er gevraagd om trouw te blijven aan dit signaal:

'Wat is er aan de hand waardoor ik teleurgesteld ben en zo baal?'

En door dit feitelijke kijken,

kan de mens al snel de derde poot bereiken.

Waar hij in het zuiver-denken via het kaboutercontact

voelt: 'zó moet deze kwestie worden aangepakt'

of een impuls ervaart van ja of van nee,

'dit past bij mij, maar daar ga ik niet mee in zee.'

 

En door het belopen van de driehoek,

gewaarwording, trouw en overdracht,

wordt de weg geëffend naar de paardenkracht.

 

Nu was de driehoek in het verhaal oranje en dit betekent,

dat de mens nog vaak optelt en aftrekt, dus berekent.

Want in het wij-gevoel is ‘rekening houden met’,

een ongeschreven, maar bijna heilige wet

en beschouwt men de kabouter-impulsen als simplistisch,

vindt men ‘kiezen voor jezelf’ wel heel erg egoïstisch!

 

Maar vind jij het verheffend als de één de ander beleert

en er niemand is die vanuit zijn eigen Kracht reageert?

 

Het witte paard,
in volle galop en zwaaiend met zijn staart,

het hoofd fier in de nek,

vertelt:

"Jij mag er zijn, je hebt een plek!

In elke situatie,

familie- of collega-relatie,

maak jij je eigen keus

en ook al vindt een ander het dubieus,

of een actie die niet door de beugel kan,

trek je er niets van aan en volg je kabouterplan.

 

Want je kabouter en ik, we zitten aan elkaar vast,

maar zolang je nog op je ‘tellen’ past,

herken je de signalen niet,

omdat onze inbreng zich afspeelt op innerlijk gebied.

Als een natuurkracht die zich even meldt,

een alertheid die je rechtstreeks vertelt:

‘dit klopt en dat is niet goed!’

Deze impuls die je aanreikt hoe je verder moet,

gaat gepaard met een grote dosis energie,

het is dus jammer als je het afdoet als fantasie.

 

Mijn PK’s komen in jouw dagelijkse bezigheden goed van pas,

of je nu bezig bent met de was,

de tuin staat om te spitten

of misschien uren achter de computer moet zitten,

als je contact maakt met deze hoedanigheid,

is het een kleurrijk hulpmiddel vol humor en creativiteit.

 

En ik zal je niet bijten, heus ik ben niet vals,

dus kaboutertje, leg je hand gerust op mijn hals,

klim maar op mijn rug, pak mijn manen beet

en maak gebruik van wat je diep van binnen Weet!"

***